Home

Cultuurhistorische achtergrond van lichamelijkheid en lichaamsgerichte therapie.

Dirk Marivoet, lic.

Download PDF-versie

Het westerse cultuurpatroon, dat de structurele achtergrond van onze huidige samenleving vormt, wordt gekenmerkt door een dualistisch mens- en wereldbeeld. Dit heeft geleid tot een sterke onderwaardering van de lichamelijkheid. De lichaam-geest dichotomie gaat terug tot Griekse denkers als Plato (4e v.C) en vooral Plotinos (3e na C). Zij beklemtoonden de activiteit van de ziel tegenover de beperktheid en de begrensdheid van het lichaam. Het lichaam is voor hen een graf of gevangeniscel die de vrije vlucht van de geest stuit.

In de 17e eeuw drijft René Descartes de traditionele miskenning van het lichaam ten top. “Je pense,donc je suis” is zijn credo, en hiermee vestigt hij het abstracte denken als bestaanscriterium. Het bewustzijn staat en bestaat voor hem los van het lichaam. Hiermee was het dualisme compleet.

Ook het traditionele Christendom dat nauw aansloot bij het Griekse denken, beschouwde het lichaam al van in oorsprong als belast en besmet. Eeuwenlang hebben christenen geloofd dat lichamelijkheid, genot, zinnelijkheid en seksualiteit geduchte problemen opriepen. Men was ervan overtuigd dat de ziel zich diende los te maken van het lichaam. Eens verlost kon deze verrijzen in het hiernamaals. Hier op aarde was het lichaam slechts bron van driften, zonden en kwalen. Het lichaam was en gesel en moest gereinigd en gegeseld worden. Het Godsbeeld was een streng en oordelend Vaderbeeld (“God ziet u”) en eiste blinde gehoorzaamheid. Menselijke potenties en verlangens werden op die manier verschoven naar het hiernamaals.

In de 18e eeuw, tijdens de opkomst van de industriële revolutie ontstaat een ander fenomeen. Het lichaam treedt in dienst van de economie. "Het kapitaal" oefent er macht op uit. Het lichaam wordt verkocht en verknecht. ‘Arbeid adelt, rust roest’ wordt de leuze.
Gelijkopgaand met deze industrialisering en economische verandering ontstaat in het Westen ook ‘de burger’, de bourgeois. Deze onderscheidt zich van de boer die in zijn ogen onbeschaafd en onbeschoft is, en van de adel die hij luiheid en verspilzucht verwijt. Het burgerlijke fatsoen schept afstand en zakelijkheid, verdringt seksualiteit, lust, erotiek, aanraking en intimiteit. Het voornaamste defensiemechanisme van het "Victoriaanse tijdperk" wordt “repressie”, zoals Freud uitvoerig gedocumenteerd heeft.

Tot 1930 worden dankzij de economische ontwikkelingen, de sanitaire condities steeds beter, maar de psychologische steeds slechter. Een harde, kille kinderpedagogie kenmerkt de jaren '30. Borstvoeding en warme lustvolle koestering verdwijnen om plaats te ruimen voor strikte klokvoeding, toilettraining en speelgoed dat vrije exploratie en beweeglijkheid afremt. Aanraken gebeurt liefst zo weinig mogelijk om baby’s niet te “verwennen”. Positief-wetenschappelijke artsen, pedagogen en psychologen beroven talloze moeders niet alleen van hun zelfvertrouwen en “dierlijk bewustzijn” (d.i. een instinctief aanvoelen wat goed en nodig is) maar tevens van een lustvolle en genietende moederschapsbeleving.
Ritmes en natuurlijke rijping moeten plaats ruimen voor opgelegde schema’s, opgelegde orde, wetten en conditioneringen, en dit terwijl de mens deel uitmaakt van de natuur en “ingebed” is in natuurlijke ritmes en cyclussen.

In de jaren ‘40 en ‘50 echter begint de kentering. Het systeem heeft zijn hoogtepunt bereikt, heeft de opkomst van het fascisme mogelijk gemaakt en begint stilaan barsten te vertonen. Kritische stemmen gaan op en leiden uiteindelijk tot de “tegencultuur-beweging” van de jaren ‘60. FREUD heeft repressie reeds als defensiemechanisme beschreven, vooral t.o.v. de seksualiteit, of juister gezegd, de “libido” (vitaliteit, sensuele levenslust). Zijn leerling REICH belicht de funktionele identiteit van lichaam en geest, van emotie en energie. Hij toont aan dat de vorming van het musculaire pantser bij de geciviliseerde mens tevens een emotioneel pantser is. CARL JUNG beschrijft de betekenis van lichaam, emotie en spiritualiteit in de vroegere matriarchaten, het latere patriarchaat en formuleert verwachtingen voor de toekomst. De boeken van antropologen als MALINOWSKI, MARGARET MEAD verhalen de tolerantie t.o.v. het instinctief leven bij diverse natuurvolkeren en tonen de relativiteit van onze ontwikkelingspsychologische wetten aan. SPITZ stelt de harde, kille kinderpedagogie aan de kaak, hierin gesteund door HARLOW die ontdekt hoe levensbelangrijk warm lijfelijk contact en lichamelijke symbiose bij de hogere zoogdieren blijken te zijn. BOWLBY illustreert het belang van "hechting" van een baby in een familiaal weefsel.

Ideologen van de jaren ‘60; HABERMAS, MARCUSE, HORKHEIMER, tonen aan hoe in een repressief systeem een “ééndimensionale mens” gevormd wordt, d.w.z. zéér gezagsgevoelig, hiërarchisch, weinig creatief, gespleten in geest-lichaam-emotie. MASLOW, een van de grondleggers van de humanistische psychologie, ontwikkelt “een psychologie van de gezonde mens”. Hij legt kriteria aan voor deze mens en creërt ruimte voor religieuze belevingen zoals de zgn. “piekervaringen”. Nog in de jaren '60 manifesteren de hippies met slogans als ’Make love, not war’ op kleurrijke wijze de waarden van de tegenkultuur als tegengesteld aan de gevestigde waarden : gemeenschapszin, natuur en poëzie, muziek, roes en extase, bewustzijnsverruiming (drugs en meditatie), lijfelijkheid, spiritualiteit, vrije seksualiteit, genieten.
Met deze bloemenkinderen komt ook een natuurbeweging op gang. Met 'respect voor Moeder Aarde' doen Groenen’, ecologie- en natuurvrienden hun opstanding. Indiaanse Medicijnmannen en andere sjamanen komen ons leren hoe onze relatie met de aarde te herstellen.
Hiernaast krijgen we ook een ‘oosterse renaissance’. Oosterse wijsbegeerte en leefwijze tonen ons een alternatieve manier om aan gezondheidszorg te doen. Met Yin en Yang symboliek doen we hernieuwde pogingen om het lijfelijke en het spirituele niet te scheiden.
Feminisme tenslotte, levert haar eigen bijdrage aan de bewustmaking. Haar invalshoek belicht het ontbreken van respect voor het (vooral vrouwelijk) lichaam. Zij richt de aandacht op het baas-zijn-in-eigen-buik en reageert tegen de mannelijke opvatting van prestatie en consumptie.
Zij klaagt op grote schaal de misbruiken ten opzichte van vrouwen aan (incest, mishandeling, verkrachting). Zij moedigt verder vrouwen aan om hun eigen “vrouwelijke” seksualiteit te beleven.

Literatuur:


ADORNO Theodor W. & Max HORKHEIMER,

BOWLBY, J.,

DESCARTES, René,

FREUD, Sigmund,

HABERMAS, Jürgen

HARLOW, H. F., & ZIMMERMAN, R. (1959). Affectional responses in the infant monkey. Science, 130, 421-432.

JUNG, C.G., Verzameld werk, Uitgeverij Lemniscaat (1995)

MALINOWSKI, Borislaw,

MARCUSE, Herbert.,

MASLOW, A.H.,

MEAD, Margaret

PLATO,

PLOTINOS,

REICH, W.

ROSZAK, T, Opkomst van de tegenkultuur. Bespiegelingen over de technokratische maatschappij en haar jeugdige bestrijders, Amsterdam, Meulenhoff, 1973.

Dirk Marivoet Lic., is Internationaal Opleider in Postural Integration en Energetic Integration Psychotherapie, methodes van Bodymind Integration. Lid van BABT, ICPIT en ICEIT. Hij is tevens opgeleid in Psychomotorische Therapie (KUL) en Reichiaans Therapeut opgeleid in Core-Energetics en Pelvic-Heart Integration.


[Home][Wie we zijn...][Lichaamsgerichte Therapie][FAQ][Basisopleiding Diep Lichaamswerk][Opleiding Postural Integration][Bio-Energetica][Pelvic-Heart Integration][Energetic Integration][Vuurlopen][Literatuurlijst][Artikels][Beoefenaars][Links][Gastenboek][Contact][Wegbeschrijving]